De Wet betaalbare huur pakt in de praktijk voor kleine verhuurders oneerlijk uit. Voor veel particuliere verhuurders is een tweede woning geen luxe, maar een pensioenvoorziening of een noodzakelijke aanvulling op hun inkomen. Als de huur door regels en procedures ver onder de kosten zakt, verandert een belegging die jarenlang netjes werd beheerd ineens in een verliespost.
Dat raakt niet alleen de verhuurder, maar ook de huurder en de woningmarkt. Wanneer de hypotheek, onderhoud en belastingen veel hoger zijn dan de ontvangen huur, wordt verhuren financieel onhoudbaar. Als daar bovenop een huurder naar de Huurcommissie stapt en daardoor bijvoorbeeld 680 euro per maand te weinig betaalt, ontstaat een situatie waarin de eigenaar wel alle lasten draagt maar nauwelijks nog opbrengst heeft.
Dat kan niet de bedoeling zijn van beleid dat betaalbaarheid wil vergroten. Een wet die kleine verhuurders structureel in de knel zet, maakt particuliere verhuur onaantrekkelijk en vergroot de kans dat woningen uit de markt verdwijnen of dat eigenaren noodgedwongen moeten verkopen. Ook wordt het in de praktijk te moeilijk om de eigen woning te verkopen of andere plannen uit te voeren als een huurder niet wil vertrekken.
Daarom moet de overheid het evenwicht herstellen tussen huurbescherming en eigendomsrecht. Kleine verhuurders hebben geen behoefte aan uitzonderingen zonder grens, maar wel aan een redelijke regeling die voorkomt dat zij onevenredig hard worden geraakt door regels die vooral voor grote beleggers zijn geschreven.
Wij roepen de Tweede Kamer en de minister van Volkshuisvesting op om de Wet betaalbare huur aan te passen, zodat kleine particuliere verhuurders worden beschermd tegen ernstige financiële schade en een woning op redelijke gronden weer vrij kunnen krijgen wanneer zij willen verkopen of hun eigendom anders moeten aanwenden. Zonder zo’n correctie blijft de wet voor veel kleine verhuurders niet werkbaar en verdwijnt precies het middensegment dat de woningmarkt juist nodig heeft.