Dierenwelzijn Vlaanderen maakt een onderscheid tussen klassieke asielen en asielen die werken met opvanggezinnen, zowel in het toekennen van subsidies als nu recent met het verdelen van de mooie erfenis die zijn in 2018 mochten ontvangen.
Een asiel dat werkt met opvanggezinnen heeft geen recht op een stukje van "de koek", om volgende reden:
Asielen die werken met opvanggezinnen kunnen niet voldoen aan volgende vereiste:
De verplichting om het onroerend goed gedurende minstens vijf jaar als dierenasiel te gebruiken
We hebben getracht onze argumenten zo goed mogelijk op papier te zetten!
Steun jij mij ons standpunt?: OOK ASIELEN DIE WERKEN MET OPVANGGEZINNEN HEBBEN RECHT OP EEN STUKJE VAN DE ERFENIS
EN WEL OM VOLGENDE REDENEN:
1. De verplichting om het onroerend goed gedurende minstens vijf jaar als dierenasiel te gebruiken
U stelt het volgende:
“Het onroerend goed waarvoor de steun wordt verleend, wordt tot minstens 5 jaar na de toekenning van de steun uitsluitend gebruikt voor de uitbating van een erkend dierenasiel.”
Betekent dit dat Dierenwelzijn ervan uitgaat dat organisaties die met opvanggezinnen werken, minder garanties bieden op continuïteit dan dierenasielen die beschikken over een fysieke opvanglocatie?
Indien dat inderdaad de redenering is, zou ik graag vernemen op welke objectieve gegevens of onderzoeken deze veronderstelling gebaseerd is.
Want waarop steunt de overtuiging dat een traditioneel dierenasiel meer bestaanszekerheid biedt dan een erkend asiel dat werkt met opvanggezinnen? Ook een traditioneel asiel kan immers binnen vijf jaar zijn activiteiten stopzetten.
Bovendien stel ik vast dat de werking van opvangorganisaties met opvanggezinnen door opeenvolgende beleidsmaatregelen steeds verder onder druk komt te staan.
Ik verwijs hierbij onder meer naar:
De beperktere subsidiemogelijkheden voor organisaties die met opvanggezinnen werken.
De uitsluiting van deze organisaties bij de verdeling van bepaalde middelen uit nalatenschappen.
De beperkingen rond het aanpassen van chipgegevens door de eigen dierenarts.
Het feit dat klachten over bijvoorbeeld strenge adoptievoorwaarden blijkbaar wel gehoor vinden, terwijl de bezorgdheden en praktijkervaringen van opvangorganisaties onvoldoende ernstig worden genomen.
Deze opeenstapeling van maatregelen wekt steeds sterker de indruk dat het beleid de werking met opvanggezinnen eerder ontmoedigt dan ondersteunt.
Dat is bijzonder zorgwekkend, aangezien deze organisaties een onmisbare rol vervullen binnen de dierenopvang in Vlaanderen.
2. De uitsluiting van investeringen in privéwoningen
U stelt eveneens:
“Omwille van de laatste voorwaarde komen investeringen aan privéwoningen niet in aanmerking.”
Ook deze redenering roept fundamentele vragen op.
Opvanggezinnen moeten immers voldoen aan de voorwaarden en voorschriften die door Dierenwelzijn worden opgelegd om binnen een erkende opvangwerking dieren te mogen opvangen.
Er worden dus wel degelijk eisen gesteld aan de infrastructuur en omstandigheden waarin de dieren worden gehuisvest.
Hoe valt het dan te verantwoorden dat deze locaties enerzijds aan de opgelegde normen moeten voldoen, maar anderzijds categorisch worden uitgesloten van bepaalde financiële ondersteuningsmogelijkheden?
Het feit dat een opvanglocatie zich in een privéwoning bevindt, doet toch niets af aan de kwaliteit van de geboden zorg, het dierenwelzijn of de maatschappelijke waarde van de opvang?
3. Een ongelijke behandeling die moeilijk te verantwoorden valt
Voor mij blijft dit een fundamentele kwestie van gelijke behandeling.
Erkende dierenasielen die werken met opvanggezinnen vervullen dezelfde maatschappelijke opdracht: dieren in nood opvangen, verzorgen, socialiseren en begeleiden naar een geschikte adoptieplaats.
Waarom worden zij dan op financieel en beleidsmatig vlak anders behandeld?
Ik vind deze ongelijke behandeling bijzonder moeilijk te rechtvaardigen. Zonder duidelijke, objectieve en proportionele argumenten wekt dit beleid de indruk van discriminatie tegenover een specifieke en bijzonder waardevolle vorm van dierenopvang.
4. De werkelijke bijdrage van opvanggezinnen aan de kattenopvang
Misschien is het hoog tijd dat Dierenwelzijn de cijfers eens grondig naast elkaar legt.
Hoeveel katten worden er jaarlijks opgevangen door traditionele dierenasielen, en hoeveel door erkende organisaties die werken met opvanggezinnen?
Ik zou graag zien dat deze cijfers op een transparante en objectieve manier worden gepubliceerd en vergeleken.
Mijn overtuiging is dat opvangorganisaties die met opvanggezinnen werken een bijzonder groot aandeel van de kattenopvang in Vlaanderen voor hun rekening nemen.
Uiteraard vangen traditionele dierenasielen ook andere diersoorten op, maar wanneer in de media cijfers over de opvang van honden en katten worden aangehaald, verdient de bijdrage van opvanggezinnen minstens evenveel erkenning en aandacht.
Het zou bijzonder interessant zijn om het beleid en de verdeling van financiële middelen eens af te toetsen aan de werkelijke aantallen opgevangen dieren en de maatschappelijke bijdrage van beide opvangmodellen.
5. Een dringende oproep tot herziening van dit beleid
Ik wil benadrukken dat mijn kritiek niet gericht is tegen traditionele dierenasielen. Ook zij verrichten bijzonder waardevol werk en verdienen alle mogelijke ondersteuning.
Maar die erkenning en ondersteuning mogen niet ten koste gaan van erkende organisaties die met opvanggezinnen werken.
Deze organisaties en hun vrijwilligers staan dag en nacht, zeven dagen op zeven, klaar voor duizenden katten die nood hebben aan opvang, medische verzorging en een veilige omgeving.
Hun inzet is niet minder waardevol omdat de opvang plaatsvindt in een huiselijke omgeving in plaats van in een traditioneel asielgebouw.
Integendeel, opvang in een gezin biedt voor veel katten belangrijke voordelen op het vlak van socialisatie, individuele begeleiding en welzijn.
Ik blijf dan ook van mening dat de huidige regeling leidt tot een fundamenteel ongelijke behandeling die niet zomaar kan worden verantwoord en die dringend moet worden herbekeken.
Ik hoop oprecht dat Dierenwelzijn bereid is om deze problematiek ernstig te onderzoeken en het beleid te evalueren op basis van objectieve cijfers, gelijke kansen en de daadwerkelijke bijdrage aan het dierenwelzijn.
Daarom verwacht ik graag een concreet en inhoudelijk antwoord op de volgende kernvragen:
Op welke objectieve basis wordt aangenomen dat traditionele dierenasielen meer continuïteitsgaranties bieden dan organisaties die met opvanggezinnen werken?
Waarom worden opvanglocaties in privéwoningen uitgesloten van financiële ondersteuning, terwijl zij wel moeten voldoen aan de opgelegde erkenningsvoorwaarden?
Hoe verantwoordt Dierenwelzijn het verschil in financiële behandeling tussen beide erkende opvangmodellen?
Is Dierenwelzijn bereid om de jaarlijkse opvangcijfers van beide modellen transparant te vergelijken en deze mee te nemen in een evaluatie van het huidige beleid?
Dierenwelzijn zou alle erkende opvangorganisaties moeten ondersteunen, ongeacht hun opvangmodel. Het welzijn van de dieren moet centraal staan, niet de vraag of zij worden opgevangen binnen de muren van een asielgebouw of in de warme omgeving van een opvanggezin.
Ik hoop dan ook dat deze bezorgdheden niet opnieuw terzijde worden geschoven, maar aanleiding geven tot een ernstig en constructief debat over een rechtvaardiger beleid.